Economische vitaliteit onderzocht: geen stad of dorp is gelijk

Een onderzoek naar de economische vitaliteit van de 39 grootste Overijsselse centrumgebieden: de meeste gemeenten hebben reikhalzend uitgezien naar de resultaten. Nu bereikbaarheid, demografie, ruimtelijke kwaliteit, voorzieningenaanbod en organisatiegraad in kaart zijn gebracht, kunnen ze immers doelmatiger werken aan versterking van hun stad of dorp.

Het rapport van onderzoeksbureau Goudappel Coffeng is dan ook met enthousiasme ontvangen. Overijssel geeft de centrumgebieden op zijn grondgebied er een waardevol instrument mee in handen. Het onderzoek levert niet alleen veel data op, maar ook inzicht in elkaar versterkende ontwikkelingen. Dat alles maakt het gemakkelijker om afgewogen beslissingen te nemen.

‘Er was behoefte aan een objectieve maatstaf’, zegt Koen Docter van de Stadsbeweging Overijssel. ‘Vitaliteit gaat deels over beleving, over reuring, en is nooit helemaal meetbaar. Dat is prima. Maar het is fijn om je, waar mogelijk, op data te kunnen baseren.’ Om die reden kijkt de Stadsbeweging ook uit naar een binnenkort te presenteren koopstromenonderzoek in Oost-Nederland. De hoop en verwachting is dat beide rapporten elkaar versterken.

Goudappel Coffeng deed eerder landelijke vitaliteitsonderzoeken. In de Overijsselse benchmark is extra aandacht besteed aan zaken die deze provincie eigen zijn. Zo is binnen ruimtelijke kwaliteit ook ‘groen’ gemeten, want naast historische bebouwing is de ligging van een stad of dorp in het landschap belangrijk voor de toeristische aantrekkingskracht.

Het onderzoek is een beginpunt voor lokaal maatwerk
Ook is de filialiseringsgraad in stads- en dorpscentra onder de loep genomen. ‘De ideale mix van filiaalbedrijven en zelfstandige detailhandel is moeilijk te bepalen’, weet Koen Docter. ‘Een stad met veel leuke kleine winkeltjes heeft iets eigens en is daardoor aantrekkelijk. Maar menig zelfstandig ondernemer worstelt met zijn opvolging. En sommige filiaalbedrijven zijn net zo goed publiekstrekkers. De cijfers laten simpelweg zien wat de stand van zaken is. Of je moet bijsturen, en waarop, verschilt per gemeente. Zo’n onderzoek geeft niet één antwoord op knelpunten. Daarvoor is maatwerk nodig.’

‘Overijssel kent betrokken gemeenschappen. Noaberschap is er belangrijk’, zegt onderzoeker Tim van Huffelen van Goudappel Coffeng. ‘Maar dat neemt niet weg dat er grote plaatselijke verschillen bestaan. In Rijssen wonen bijvoorbeeld veel grote gezinnen met een flink besteedbaar inkomen. Ommen en Dalfsen moeten het meer hebben van toerisme – dus van horeca. Ons onderzoek laat elke gemeente zien aan welke knoppen ze het best kan draaien om nog krachtiger te worden. Wat overigens gemakkelijker klinkt dan het is. Het gaat om langzame processen van transformatie. Processen die je samen moet doorlopen.’

De tijd van ‘ieder voor zich’ is voorgoed voorbij
Op speciaal verzoek van de Stadsbeweging Overijssel heeft Goudappel Coffeng daarom ook de mate van samenwerking in de 39 centrumgebieden onderzocht. Samenwerking, zo gelooft de Stadsbeweging immers, is broodnodig om stads- en dorpscentra vitaler te maken. Geen enkele partij – noch gemeente, noch detailhandel, noch vastgoedeigenaren – redt het meer in z’n eentje. De Stadsbeweging is dan ook een fervent promotor van de bindende rol van de centrummanager.

Harry Aalderink is zo’n centrummanager. Hij vervult die rol in Steenwijk, waar hij vooral zijn best doet om uit te vinden waar ondernemers en overheid een gemeenschappelijk belang hebben. ‘Op die punten kun je opportunisme op een laag pitje zetten en gaan samenwerken.’

Aalderink toont zich tevreden met de uitkomsten van het vitaliteitsonderzoek. ‘Steenwijk staat op nummer 5. Dat is geweldig, al realiseer ik me maar al te goed: we moeten bikkelhard werken om daar te blijven. Het onderzoek helpt ons keuzes te maken. Zo zie ik dat we matig scoren op veiligheid. Hoe komt dat? Waar kan het beter? Dat is iets dat ik samen met andere partijen wil gaan uitzoeken.’

Op samenwerking scoort Steenwijk goed, constateert Aalderink. Maar dat is voor hem geen reden om achterover te leunen. ‘Wat kunnen we leren van plaatsen die het nóg beter doen?’

Samenwerken kan ook met partijen van buiten de gemeentegrens
Een van de grootste problemen bij samenwerking, zo merkt de Stadsbeweging, is dat vastgoedeigenaren niet zijn verenigd. Het is vaak lastig hen te bereiken. Die hindernis kwam ook ter sprake tijdens de interne presentatie van het vitaliteitsonderzoek, waar vertegenwoordigers van gemeenten en centrummanagers met elkaar in gesprek gingen over de belangrijkste thema’s.

Aan een van de tafels besprak Mirjan Klok de situatie in Oldenzaal, waar in het binnenstadsplan het belang van samenwerking – ook met vastgoedeigenaren – is benadrukt. Klok is procesmanager binnenstad van de gemeente Oldenzaal. Om die samenwerking te stimuleren, haalde de gemeente de banden met het Kadaster aan. Dat bracht eerst het vastgoed in de binnenstad in kaart. Vervolgens zijn vastgoedeigenaren uitgenodigd voor een spelavond waarop hen is gevraagd de Oldenzaalse binnenstad opnieuw in te richten. Aanvankelijk in algemene zin, daarna in straten waar ze zelf een belang bij hadden.

‘Als gemeente hebben we ons nadrukkelijk afzijdig gehouden’, zegt Klok. ‘We willen graag dat vastgoedeigenaren zich verenigen en ontdekken wat ze voor elkaar kunnen betekenen. Maar hun ideeën bieden de gemeente natuurlijk wel belangrijke inzichten, met name bij de ontwikkeling van een detailhandelsvisie.’

Klok vindt dat Oldenzaal verrassend goed uit het vitaliteitsonderzoek naar voren komt. ‘Ik ben ervan overtuigd dat samenwerking daarbij een grote rol speelt. Die is net zo essentieel als allerlei fysieke veranderingen in de binnenstad. Samenwerking kost tijd en je kunt er niet mee pronken, maar als ze eenmaal op gang is, kun je zonder veel kosten goede resultaten bereiken.’

Meer weten over het onderzoek? Neem contact op met Stadsbeweger Lieke Kiekebosch. Wil je graag het rapport ontvangen? Stuur dan en berichtje naar stadsbeweging@overijssel.nl ovv rapport vitaliteitsbenchmark.

 

Partners