Eerst dromen, dan doen: zo realiseer je een compacte stad

Een lesje in bescheidenheid voor juristen. Zo noemt hoogleraar omgevingsrecht Arjan Bregman onze bijeenkomst over de realisatie van de compacte stad.

Een toekomstbestendige stad is een compacte stad waarin – en dat staat voorop – iets te beleven valt. Winkels en horeca nemen in de binnenstad een centrale plaats in. Maar hoe realiseer je die zo vurig gewenst bundeling van functies?

Over deze vraag hielden de Stadsbeweging en de Provincie Overijssel op 19 september vier workshops voor bureaus en beleidsmakers die werken aan de steden van de toekomst. Steden die vitaal en levendig zijn.

Wat wel? Wat niet?

Bij die ruimtelijke inrichting horen dilemma’s. Wat wil je wel? Wat niet? En vervolgens: hoe voer je je plannen uit? Centraal tijdens de bijeenkomst stond het inzicht dat niet het juridisch kader leidend moet zijn, maar de behoeften van de mensen in de stad.

Of, zoals Overijssels gedeputeerde Monique van Haaf (Ruimte, Grondbeleid en Handhaving) het in haar openingsrede zei: ‘Als overheid moet je soms initiatief tonen, soms volgen, soms meebewegen. Wil je iets bereiken, voer dan een open en eerlijk gesprek waarin ieder zijn belangen op tafel kan leggen. En stem daar je visie op af.’

Praten gaat voor plannen

Arjan Bregman leerde die les in Hellendoorn, waar hij een juridisch waterdicht advies neerlegde dat desalniettemin sneuvelde in de politieke arena. ‘De boodschap was simpel’, aldus Bregman tijdens zijn workshop: ‘Aan het juridisch traject hoort iets vooraf te gaan. Namelijk communicatie. Juridische instrumenten mogen niet de eerste instrumenten zijn die je inzet.’

Desalniettemin vielen de tips die Bregman zijn gehoor cadeau gaf in vruchtbare grond. Met name zijn uitvoerige betoog over de zogeheten uitsterfregeling zette de zaal aan het denken. Want al begrijpen beleidsmakers best dat communicatie belangrijk is, ze zitten toch ook met de praktische vraag hoe ze de buitenwijken van de stad kunnen ontdoen van versnipperde horeca en detailhandel.

Wees het grootwinkelbedrijf voor

Een zaal verderop waren planoloog Ruben Beens en jurist Jitze Terpstra van bureau Witpaard al evenzeer op dreef. Zij hebben een methode bedacht om witte vlekken te vinden in bestemmingsplannen. Oftewel, plekken buiten het stadscentrum waar horeca en detailhandel mogelijk zijn zonder dat iemand dat nog in de gaten heeft. Het is verstandig ernaar op zoek te gaan, want de Aldi’s van deze wereld zijn dat ook. Een makkie? De opdracht die Beens en Terpstra de workshop-deelnemers gaven, toonde aan van niet.

Waren twee van de vier workshops met name gericht op juridische aspecten van stedelijke ontwikkeling, de andere twee richtten zich vooral op het belang van visie en beleid. ‘Overheden denken vaak dat ondernemers daar wars van zijn’, weet directeur Felix Wigman van ruimtelijk adviesbureau BRO. ‘Maar het tegendeel is waar. De markt heeft een collectieve behoefte aan houvast.’

Wigman schetste niet alleen negen wereldwijde megatrends in de detailhandel, maar benoemde ook hun gevolgen op lokaal niveau. De belangrijkste: de behoefte van consumenten aan beleving en gemak blijft voorlopig alleen maar groeien.

Denk in kansen

In zijn workshop over stedelijke kavelruil schetste de Winterswijkse projectmanager Stadsontwikkeling Robert Lautenbach de praktijk in zijn stad. De leegstand die elke plaats wel kent, betreft in Winterswijk vooral kantoren. Maar de oplossing waarmee de Gelderse stad dit jaar de totale leegstand wist te halveren, is universeel: denk in kansen.

Panden slopen, panden verkopen: het zijn de voor de hand liggende opties. Wat ook kan, is ruilen. Niet alleen van fysieke panden, maar ook van functies: geef kantoren bijvoorbeeld een woonbestemming. ‘Het gaat met name om een actieve houding tegen leegstand’, meent Lautenbach. ‘Betrek inwoners, laat creatievelingen meedenken, en koppel hun ideeën aan juridische instrumenten.’

Partners