Retailcafé regio Zwolle: laat ideeën stromen

Minder regels, meer speelruimte: dat is kort samengevat het grootste plezier dat Overijsselse steden en dorpen zichzelf kunnen doen. Gun ondernemers het experiment, inclusief de fouten die daarbij horen, klonk het tijdens het Overijsselse Retailcafé regio Zwolle.

Retailexpert Tom Kikkert zette daar op dinsdag 8 juni 2021 in een enthousiaste aftrap uiteen dat chaos niet eng is, maar juist hard nodig, ook als het gaat om het creëren van vitale binnensteden. We zijn in Nederland gewend om in vaste structuren te denken, risico’s te beperken en binnen de lijntjes te kleuren, maar hebben verleerd om gewoon maar eens iets te proberen en dan te zien waar het schip strandt.

Kikkert maakt de vergelijking met de klassieke (of Newtoniaanse) mechanica, die staat voor plannenmakerij op de lange termijn, en de kwantummechanica, die staat voor disruptie en experiment. ‘Bedenk de toekomst nou eens niet vanachter de tekentafel, maar breng mensen bij elkaar met eenzelfde energie’, bepleit hij.

Succesvolle merken spelen niet op veilig
‘Als je iets wilt veranderen, zoek dan niet automatisch contact met de winkelier naast je, maar denk ook aan de horeca, of de bioscoop. Wees creatief. Creëer chaos. Wissel doelen en plannen in voor de energie van gastvrijheid, service en samenwerking.’ In het filmpje over succesvolle wereldmerken dat hij liet zien, was de centrale boodschap dan ook overduidelijk: Let’s not play it safe.

Kikkerts boodschap viel in vruchtbare grond tijdens de eerste van drie zomerse retailcafés – de volgende bijeenkomsten zijn op 15 juni (regio Twente) en 22 juni (regio Deventer). Voorzitter Hans Bakker van het Retailplatform Overijssel ziet wel wat in experimenten in regelluwe zones: binnen de wettelijke kaders, maar met een provinciale overheid die ondernemers stimuleert om nieuwe ideeën uit te werken. En gedeputeerde Monique van Haaf benadrukt dat de provincie Overijssel flink heeft geïnvesteerd in binnensteden en detailhandel, maar dat we samen moeten blijven nadenken over wat nog meer nodig is voor vitale stadscentra.

Tijdens het retailcafé in theater De Spiegel in Zwolle – het was te volgen via een livestream – stonden drie vragen centraal: wat heeft de Overijsselse Retailaanpak tot nu toe opgeleverd, hoe ziet de toekomst van de detailhandel eruit, en wat is er nodig voor goede regionale samenwerking?

Kampen wordt een ‘hartelijke Hanzestad’
Het antwoord op de eerste vraag kwam vooral van Michiel de Groot, die een speelgoedwinkel heeft in Kampen en daar ook voorzitter is van de binnenstadsondernemers. Er wordt in Kampen vol energie gewerkt aan de verwezenlijking van een ‘hartelijke Hanzestad’. Ondernemers leren er via trainingen bijvoorbeeld dat Duitse toeristen ‘gastvrijheid’ anders invullen dan Nederlanders. Ze wisselen kennis uit via een app-groep, halen de banden met de tweehonderd Kampense vastgoedeigenaren aan, werken samen met het Stedelijk Museum en organiseren evenementen voor de inwoners van Kampen. Intussen werken ze, maar dat is voor de langere termijn, aan een compacte binnenstad.

Aan de discussietafel werd intussen geconcludeerd dat ook Nederlanders van karakter verschillen. Zo is de gemiddelde Overijsselaar volgens Marijke van Hees, voorzitter van de Retailagenda, voorzichtiger dan de avontuurlijke Randstedeling. ‘Dat is prima, maar je moet het wel weten als je probeert mensen naar de binnenstad te krijgen.’ Overijsselse ondernemers, op hun beurt, willen de kat ook nog wel eens uit de boom kijken. ‘Daarom is het fijn als er genoeg inspirerende voorbeelden zijn’, aldus Wendy Weijdema van Marketing Oost.

Ook cultuur stimuleert de economie
De gasten van het Retailcafé waren het erover eens dat binnensteden meer moeten bieden dan winkels alleen. ‘Mensen willen iets beleven.’ Rob Zuidema, directeur van de Zwolse Theaters, ziet een rol weggelegd voor de cultuursector. ‘Zet een elektrische auto in de foyer, waar je iets over vertelt aan de bezoekers van een balletvoorstelling. Of doe het theater overdag open voor bezoekers van de binnenstad. Cultuur levert een flinke bijdrage aan de stedelijke economie, want mensen gaan bijna nooit alleen maar naar een voorstelling. Ze eten en drinken iets in de stad, ze besteden er geld.’

In het daaropvolgende gesprek over regionale samenwerking klonk vooral door dat steden en dorpen elkaar aanvullen. René de Heer, wethouder in Zwolle, vatte het kernachtig samen: ‘Zwolle is een prachtige stad waar je met gemak twee dagen kunt verblijven. Maar waarom zouden we mensen er niet op wijzen dat ze nog langer van Overijssel kunnen genieten door ook Giethoorn of de Weerribben te bezoeken?’

Die voorbeelden lagen voor de hand vanwege de aanwezigheid van Bram Harmsa, wethouder in Steenwijkerland. Hij beaamde de woorden van zijn Zwolse collega: ‘Wij zien veel Aziatische toeristen die behalve Giethoorn ook de Bijenkorf willen bezoeken. Waarom zorgen we als regio niet voor een eigen ‘Bijenkorf?’ Stad en platteland kunnen elkaar zeker versterken.’

Denk aan de positie van kleine dorpen
Marijke van Hees vroeg daarbij aandacht voor de positie van kleine kernen, die vaak weinig mogelijkheden hebben. ‘Ik zou daar graag wat meer nieuwe woningen zien, zodat het voorzieningenniveau – en daarmee de vitaliteit – van kleine dorpen op peil kan blijven. Bouw niet alleen in de grote steden.’ Zij kreeg bijval van D66-statenlid Renilde Huizenga: ‘Mensen willen alleen wonen in vitale dorpen: dorpen met een goed voorzieningenniveau en goed openbaar vervoer.’

Aukje Grouwstra, binnenstadsmanager Zwolle, onderschrijft dat samenwerking de regio als geheel verder brengt. ‘Je moet als stad niet navelstaren, maar delen. Dat is geen enkel probleem zolang je uitgaat van je eigen kracht.’

Partners